Skip navigation

NL | FR

Breuklijnen (G.L. = 8.6)

Deze worden gemeten op 8.6. Men heeft reacties (L en R) bij een breuklijn, op de oevers of aan de pijlers van een brug, in huizen,...

.

Breuklijnen zullen ook een spectroïde vertonen

.

Breuklijnen

Een onderaardse breuklijn gaat vaak gepaard met water. Men zegt dan dat de breuklijn watervoerend is . Men moet een onderscheid maken tussen een primaire en een secundaire breuk.

Bij een primaire breuk heeft men duidelijk te maken met een grondverschuiving, of met twee flanken net duidelijk zeer verschillende densiteiten.
Zo'n breuklijn treft men in België doorgaans slechts aan in de Ardennen of in streken waar aardbevingen voorkomen (zoals in Limburg). Zo'n breuklijn kan definitief ontstoord worden.

Bij een secundaire breuk kan men nauwelijks spreken van een merkbare breuk. Het gaat hier om grond dat door de eeuwen heen met water is doordrongen geweest.
Het doorsijpelen van water heeft voor gevolg gehad dat er verschillende densiteiten in de grondlagen zijn ontstaan. Het water dat zich in deze lagen bevindt is diffuus,
traagvloeiend en in feite meet men het energetisch midden van deze watermassa. Wanneer men hier ontstoort kan het voorkomen dat de ontstoring niet definitief zal zijn omdat de geometrie van het stoorgebied kan variëren met de stand van het grondwater. Dit komt vooral voor wanneer men met een hellend terrein te maken heeft.

Bij een watervoerende breuklijn ligt de 8.6 van de breuklijn aan de hogere zijde van de waterlijn; de hogere zijde wordt meestal aangegeven door de natuurlijke helling van het terrein waarop men zich bevindt. Men stelt vast dat men een 8.6 R = 8.6 L meet met intensiteit 1 (drager van de breuklijn). Aan de lagere zijde en praktisch op de plaats van de drager van het water vindt men een 8.6 met 0.9 L (soms 0.5 L) en geen R. Deze vector is dus geen drager maar een gedragen vector! Hij is pathogeen en heeft een celverstorende werking.